Waar wij in liefdevolle vriendschap samen zijn, daar is God in ons midden!

Heer, ontferm u - ach Heer, wie ontfermt zich over u

(meditatie voor de Veertigdagentijd door Ghislaine van Opstal)

We gaan de Veertigdagentijd weer in. De tijd waarin we speciaal ook de weg gedenken die Jezus is gegaan in zijn leven. Jezus, die mens geworden is zoals wij mens zijn. Dat hebben we met Kerstmis nog uitbundig gevierd: ‘Gloria in excelsis Deo’…

Maar het is dezelfde Jezus, die hetzelfde mensenleven heeft moeten leven zoals wij dat nu leven, met al zijn vreugde en verdriet. De Hebreeënbrief is daar heel duidelijk in: “Omdat Hij zelf de proef van het lijden heeft doorstaan, kan Hij allen helpen die beproefd worden”. Even verder in die brief kunnen we lezen: “Hoewel Hij Gods Zoon was, heeft Hij in de school van het lijden gehoorzaamheid geleerd”… En die school van het lijden heeft hij gevoeld, in alle eenzaamheid die dat geeft: nu nog kunnen wij lezen hoe Hij in de hof van Getsemane uitriep tot zijn vrienden, zijn volgelingen: “Kunt ge nog geen uur met mij waken”, en ja, zijn Godverlatenheid: “Eli, eli, lama sabaktani”.

Als wíj het moeilijk hebben, kunnen we ons altijd tot Hem wenden. Vaak gaat dat ook zo, er is zelfs een spreekwoord over: nood leert bidden. In onze ultieme eenzaamheid kunnen we ons altijd tot Hém wenden.

Maar tot wie kon Híj zich wenden in zijn mensenleven? Wie ontfermde zich over hém?

Hij had geen menselijk voorbeeld om zich aan te spiegelen, iemand die hem was vóórgegaan en die hij kon navolgen.

Hij richtte zich rechtstreeks tot Zijn Vader.

Als we dat tot ons laten dóórdringen, dan kan dat een geweldige huiver oproepen, maar tegelijkertijd ook een immense dankbaarheid om wat Hij voor ons gedáán heeft. Stelt u het zich eens voor: dat Hij er niét geweest was, dat Hij niét op aarde gekomen was, mens geworden zoals wij? Hoe hadden wij dán de weg naar de Vader gevonden? Hoe hadden wij dán leren bidden tot God, onze Vader? Dat heeft Híj ons toch vóórgedaan en vóórgeleefd, dat heeft Híj ons toch geleerd?

Als dat echt tot ons doordringt, kunnen we wellicht iéts gaan ervaren van het grote mysterie van Zijn Liefde, waartoe ook wij worden opgeroepen: dan kan er wellicht iets van liefde en erbarmen in ons opwellen voor die mens Jezus, die hij, net als wij, geweest is. En dat kan dan ook nog heel concreet worden: “Wat je aan de minste der mijnen hebt gedaan, dat heb je aan Mij gedaan,” zegt Hij ons immers aan.

En daarmee komen we dan weer een beetje dichter in de buurt van die grote oproep die tot ons gedaan wordt: God lief te hebben, én onszelf, én elkaar. Dan vloeit alles ineen tot dat grote mysterie van God die Liefde is.

Liefde, mededogen en erbarmen: langs die weg voltrekt zich onze bekering, onze omvorming tot God die Liefde is. Dán kan het Pasen in ons worden.

Ja, laten we dát zinnetje eens ter meditatie in ons meedragen in deze Veertigdagentijd naar Pasen toe: ach Heer, wie ontfermt zich over ú?