Geloofsbelijdenis – ik sta voor U in leegte en gemis
Op 1 oktober vierden we het feest van Teresia van Lisieux, de ‘kleine’ Teresia. Van haar zijn de woorden: “op de avond van dit leven zal ik met lege handen vóór U verschijnen”. Het doet me denken aan een lied dat we vaak zingen: “Ik sta voor U in leegte en gemis…”
Een maand later, op 1 november, in de late herfsttijd, vieren we het feest van Allerheiligen. Hoe komt het toch dat ik, zolang als ik mij heugen kan, dit feest altijd gevoeld heb als ‘mijn’ feest, als het feest van ‘mijn familie’? Al heb ik dat nooit zo durven zèggen, ik heb het wel altijd zo gevoeld. Hoe dat komt, dat weet ik niet. Maar het wás zo.Pas later ben ik daar iets meer van gaan begrijpen. In het boek ‘Naar het land dat Ik u wijzen zal, de spiritualiteit van het pelgrimeren’ schrijft Andriessen: “Er is een innerlijke verwantschap tussen ons en de heiligen. Zij fungeren als oer-gestalten die het goddelijke in de mens op een bijzondere manier voor ogen stellen, en wij herkennen die gestalte van een heilige als mogelijkheid die wij ook in onszelf ervaren” (pag. 116-119).
Ja, zó kan – en mág!- ik mij verwant voelen aan de heiligen, zó kunnen en mógen wij ‘in gemeenschap met de heiligen’ leven. Zonder daarbij uit het oog te verliezen hoezeer wij toch altijd weer ‘met lege handen’ staan, in leegte en gemis, door twijfel overmand vaak… Maar precies dát spanningsveld van ons geloof vinden we terug bij de heiligen. Zij zijn daar als het ware doorhéén gegaan, zij hebben het uitgehouden en hebben ervaren wat wij als slotregel uitzingen in dat lied: “Gij zijt toch zelf de ziel van mijn gebeden”. Precies bij de heiligen komen we dat spanningsveld steeds tegen waarvan wij zingen: “Heer, ik geloof, waarom staat Gij mij tegen”, dat spanningsveld dat ons al wordt aangezegd in de Bijbel: Heer ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp.
Maar dat lied spreekt niet alleen van leegte, het spreekt ook van gemis, of met andere woorden: van verlangen. En dat doet me denken aan dat beroemde woord van Augustinus “Onrustig is ons hart, tot het rust in U”. Diep in ons voelen wij kennelijk een verlangen dat ons doet uitstaan naar God, dat ons in beweging zet en dwars door alle spanningsvelden heen in beweging wil houden tot wij vinden wat wij zoeken. Ach, en ook daar zijn zoveel liederen over. Ik denk aan psalm 25: “naar U gaat mijn verlangen, Heer”, om er maar één te noemen. Ik denk zo maar dat de heiligen dat diepe verlangen dat wij állen in onszelf kunnen voelen, serieus genomen hebben, en vanuit en naar dat verlangen toe hebben geleefd. Zij zijn ons daarbij tot voorbeeld in hun levende getuigenis, omdat zij ons de weg laten zien zoals die gegaan kan worden: “Lichtend en brandend van het Licht en van het Vuur waarin zij bij U woonden, hebben zij hun omgeving bestendig door woord en voorbeeld verlicht en aangevuurd (...). Dankzij hun getuigenis zijn er bliksemflitsen van Uw Waarheid gegaan door heel de wereld en die stralen verspreidden hun licht tot vreugde van allen…” (uit de 7e meditatie van Willem van St. Thierry.
Ja, op dié manier kan en mag ik de heiligen als ‘mijn familie’ ervaren en mijzelf door hen in vuur en vlam laten zetten. Dwars door alle leegte en gemis heen…
Ghislaine van Opstal
